Wist je dat: scheefsmoel

0 956
23 jul 2017

De tong (Solea solea) dankt zijn naam aan zijn ovaalvormige lichaam. De ietwat onflatteuze bijnaam scheefsmoel – vanwege de karakteristieke kleine, gebogen bek – zegt echter veel meer over deze zilte bodembewoner.

In verhouding tot de rest van zijn langgerekte lichaam heeft de tong een relatief kleine, afgeronde kop. Kenmerkend zijn de kleine, half cirkelvormige en onderstandige bek, de iets voor de bek uitstekende ronde snuit en kleine oogjes – in verhouding tot andere platvissen – die dicht bij elkaar staan op de rechterzijde van het lichaam. Door deze positionering van de ogen kan de tong zich mooi ingraven in het zand en toch blijven loeren op een voorbij zwemmende prooi.


Baarddraden

Bij het opsporen van een prooi zijn de talrijke, korte tast- of baarddraadjes echter veel belangrijker dan het gezichtsvermogen. Deze zitten onderaan de bek en rond de neusopeningen en hebben een belangrijke sensorische functie om voedsel – wormen, kleine kreeftachtigen en week- en schaaldieren – te vinden. Zou een tong blind worden, dan kan hij nog steeds zijn prooi vinden. Bovendien is deze vis een echte nachtjager; overdag liggen ze ingegraven en stil in het zand.

Zwarte vlek

De tong staat namelijk ook bij andere predatoren op het menu. Om zich daar tegen te wapenen, heeft hij een ingenieus afschrikmiddel tot zijn beschikking. Op de grijs- tot donkerbruine zijde met onregelmatig vlekken en stippen zit op het uiteinde van de rechterborstvin een zwarte, ovale vlek. Die heeft een beschermende functie. Wordt de tong aangevallen, dan zet de vis de rechter borstvin rechtop. De nu duidelijk zichtbare zwarte vlek doet denken aan de pieterman, die op zijn eerste rugvin en het kieuwdeksel een sterke gifstekel heeft zitten.

Zomergast 

Tong tref je van grofweg april tot oktober vooral aan op vlakke zand-, kleien slibbodems in relatief ondiep water (tot zo’n 40-60 meter diep) – zelfs flink stroomopwaarts in havens en riviermondingen. Daar kunnen ze zich ingraven, biedt hun kleur maximale bescherming en scharrelen ze hun kostje bij elkaar. In ons land is de tong een echte zomergast. In de winter trekken ze terug naar het diepere iets warmere water in de zuidelijke Noordzee. Pas in het vroege voorjaar komen tongen weer dicht onder de kust om bij 6-12°C op een diepte van 20 meter te paaien (april tot juni).

Zee- en sliptong

Tong kan 60 tot 70 cm lang en drie kilo zwaar worden. Deze grote, oude tongen worden ook wel zeetong genoemd, maar komen in de Noordzee slechts zeer sporadisch voor. Langs de Nederlandse kust komt de soort algemeen voor, maar dit betreft kleinere exemplaren (30 tot 50 cm). Dit formaat wordt ook wel aangeduid als sliptong. Dit aangezien deze kleinere maat vissen gemakkelijker door de netten heen slipt en zo weet te ontsnappen. Dat is maar goed ook, want sliptongen zijn veelal nog niet paairijp. Pas op drie- tot vijfjarige leeftijd bij een lengte van 25 tot 35 cm wordt de tong paairijp.


Divide