Wist je dat: haringkoning

758
24 sep 2017

De mul (Mullus surmuletus) is bezig aan een opmars in de Noordzee. Vroeger kwam deze soort uit de familie van de zeebarbelen hier slechts sporadisch voor. Dat leverde hem een mythische status en de volksnaam haringkoning op.

De mul herken je uit duizenden. Deze rozerode vis heeft grote schubben en een kenmerkende bruinrode lengtestreep die loopt van het oog naar de staart, met daaronder drie gele lengtestrepen (volwassen exemplaren). Bovendien zitten aan de onderstandige bek twee lange, beweegbare kindraden die in lengtegroeven kunnen worden opgeborgen.

Met behulp van deze voelsprieten spoort de mul naar prooien zoals garnalen, kreeftachtigen, wormen, weekdieren en kleine visjes. Dat doet hij op de zeebodem – van steen, zand en modder – tot een diepte van 100 meter, maar doorgaans foerageert de mul tussen de 5 en 60 meter diep.

Koninklijk  

Hoewel de mul met een maximale lengte van zo’n 40 centimeter slechts een bescheiden formaat kan bereiken, heeft deze vis toch een zekere koninklijke allure. Zo wordt hij in de volksmond ook wel als keuninkje, zeekoning, koning van de poon en de haringkoning aangeduid.

Deze laatste bijnaam wordt tegenwoordig toegekend aan de riemvis – een oceanische vis met een langgerekt en afgeplat lichaam van 11-12 meter lang – maar dat is ten onrechte. Dit misverstand is waarschijnlijk te wijten aan de Engelse namen voor de riemvis: oarfish, maar ook King of Herrings.

Aanvoerder

Echter reeds in 1578 noteerde de Scheveningse vishandelaar en -veilingmeester Adriaen Coenen in zijn Visboeck de term haringkoning. Het gaat hierbij om een vis die net zo rood is als een ‘zeehaan’ (rode poon) en die vers gegeten hetzelfde smaakt. Zijn schubben zijn groter dan die van een haring, maar de vis doet hier qua vorm wel aan denken – hoewel ze wat ronder en dikker is.

De haringkoning had een mythische status. Rond 1500, in de tijd dat de haringvisserij een grote vlucht nam, waren vissers erop gebrand om deze koning in hun netten aan te treffen. De algemene overtuiging was namelijk dat deze vis als aanvoerder fungeerde en aan de kop zwom van grote haringscholen. En daarmee een voorbode was van goede vangsten.

Vismethode

Uit de verhalen van de haringvissers die Coenen noteerde, blijkt dat ze door de bank genomen op 100.000 haringen slechts één haringkoning vingen. Toentertijd kwam de mul minder frequent voor, maar zo zeldzaam was deze vis waarschijnlijk ook weer niet. De reden dat de haringkoning slechts sporadisch werd gevangen, zat hem in de vistechniek.

De Scheveningers visten met staande drijfnetten. Die zijn geschikt om een pelagische soort als de haring (die in grote scholen door de waterkolom zwemt) te vangen, maar niet een bodembewonende soort als de mul – de kans dat een riemvis in dergelijke netten zou belanden is overigens vrijwel nihil. Op basis van de gedetailleerde beschrijving van Coenen moet de mul dan ook worden beschouwd als de Hollandse, 16e-eeuwse, haringkoning.

Gerelateerde berichten
Divide