Rivierprik

Rivierprik

Prikken

Lampetra fluviatilis, (Linnaeus, 1758)*

Gesloten tijd van 1 november t/m 30 april
Lengte afgebeelde vis: 39 cm
Lengte tot circa: 50 cm
V 20 cm.
R

Toelichting

Herkenning: 1. De zuigbek is voorzien van een raspschijf, die bezet is met slechts een klein aantal tandjes. 2. Er zijn aan elke zijde zeven kieuwopeningen aanwezig. 3. De zijden en de buik zijn zilverglanzend gekleurd, bij geslachtsrijpe dieren is de rug vrijwel egaal zwart.
Verspreiding: Noord-Atlantische en Noord-Pacifische kusten, Noordzee en Oostzee. In Nederland niet algemeen, maar neemt de laatste jaren duidelijk toe.
Leefwijze: Wordt in zoetwater geboren en leeft de eerste drie à vier jaar als larve ingegraven in de bodem van beken en rivieren. Trekt na een metamorfose tot volgroeide prik naar zee en leeft in de kustwateren als parasiet op andere vissen. Trekt van februari tot april naar de paaiplaatsen in relatief ondiep (20-150 cm), snelstromend water. Het mannetje prepareert door stenen en grind te verplaatsen een nestkuil, waar de eieren in worden afgezet aan grind, kiezel of stenen. De rivierprik sterft kort na de paai.
Voedsel: De volgroeide rivierprik leeft van opgezogen bloed en weefselvocht van o.a. kabeljauw, zalm en makreel.

Naamgeving: Lampern Flussneunauge Lamproie de rivière

Een "V" betekent dat de vissoort in de Visserijwet is opgenomen.
Een "R" betekent dat de vissoort is opgenomen op de Rode lijst.


Meer informatie

* Naam van de eerste auteur die de vissoort een wetenschappelijke naam gaf, en het jaar waarin dat gebeurde. Is de eerste wetenschappelijke naam nadien gewijzigd, dan staan de auteursnaam en het jaartal tussen haakjes.

Divide