Vis & water

Beekprikken blijven thuis

3483
22 mei 2015

In de Nederlandse wateren leven drie soorten prikken: de beek-, rivier- en zeeprik. Prikken zijn ‘primitieve’, kaakloze vissen (Agnatha) die zich voortplanten en opgroeien in zoet, stromend water en als volwassen visparasiet in zee leven – uitgezonderd de beekprik. Die blijft thuis.

Prikken zetten hun eieren af in een uitgediept kuiltje in de grindbodem van stromende beken of rivieren. Tijdens de paai zuigt het vrouwtje zich vast aan een grotere steen aan de rand van dit zogenaamde ‘paainest’. Hierna zuigt het mannetje zich vast aan de kop van het vrouwtje en omstrengelt haar strak met zijn staart. Door deze omstrengeling naar achteren te bewegen, worden de eitjes naar buiten geduwd. Die bevrucht het mannetje daarna. Kort na de paai sterven bij alle priksoorten de meeste ouderdieren. Het leven van
een prik begint en eindigt dus in zoet, stromend water.

Visparasiet

Nadat de blinde priklarve uit het ei is gekomen en de dooierzak is verteerd, laat hij zich met de stroom meevoeren naar langzamer stromend water. Daar graaft de priklarve – die geen ogen heeft – zich in de modderige bodem in. Vervolgens leeft hij enkele jaren op een dieet van uit het voorbij stromende water gefi lterde bacteriën, algen en schimmels.

Na drie tot acht jaar ondergaan de priklarven een gedaanteverwisseling tot volwassen prik (en ontwikkelen de ogen zich). Dat is het moment dat de rivier- en zeeprik naar zee trekken. Daar leven zij twee tot drie jaar als parasiet op zeevissen. Zodra ze geslachtsrijp zijn, trekken ze de rivier weer op om te paaien boven een zandbodem met daarop grind of kiezels.


Zeeprik op wijting

Hongerdood

Eén priksoort gaat echter niet op reis. Zodra de beekprik het volwassen stadium bereikt wordt hij geen parasiet die zich vastzuigt op andere vissen, maar stopt hij met eten. Binnen enkele maanden gaan beekprikken dan over tot de paai – in het voorjaar – om vervolgens te sterven. Het vermoeden bestaat dat deze priksoort tijdens de laatste ijstijd uit de rivierprik is geëvolueerd.

Doordat de trek van en naar zee van sommige rivierprikpopulaties toen werd belemmerd, konden alleen niet-trekkende prikken overleven. Hieruit is een nieuwe soort ontstaan die met een lengte van maximaal 20 cm veel kleiner blijft dan de rivierprik (die circa 50 cm groot kan worden). Gezien het feit dat deze nieuwe priksoort zijn levenscyclus helemaal doorloopt in de beek waarin hij is geboren, heeft hij de naam beekprik gekregen.

Bron: Hét Visblad juni 2015

Er zijn geen gerelateerde berichten.

Om u de beste gebruikservaring te kunnen bieden, gebruiken wij cookies. Voor meer inhoudelijke informatie en het onderscheid die wij hier in maken, verwijzen wij u door naar ons. cookiebeleid.

Divide