Den Haag, 18 november 20201
Dit artikel is opgesteld door de betrokken partijen binnen de Green Deal Sportvisserij Loodvrij (deal GD222)

Nadere context cijfers gebruik loodalternatieven en loodverlies in de sportvisserij

Voor de monitoring van de voortgang van de Green Deal Sportvisserij Loodvrij (deal GD222) gebruikt het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) een tweetal soorten onderzoeken: de zogenaamde Screening Surveys en de Logboek Surveys. Deze worden uitgevoerd door het Centrum voor Visserij Onderzoek (CVO), onderdeel van Wageningen Marine Research (WMR).
Naast deze door LNV geïnitieerde onderzoeken is ook het onderzoek “Emissie van lood naar de Nederlandse zoete en zoute wateren door verlies van vislood in de sportvisserij” van Deltares (2013) relevant, omdat de schattingen ten aanzien van het loodverlies uit deze studie destijds zijn gehanteerd in de overwegingen van de Green Deal.

De cijfers uit deze onderzoeken verschillen echter van elkaar. Met name de cijfers over het jaarlijks geschatte loodverlies zijn in het Deltares-onderzoek fors hoger dan de cijfers uit de Logboek Survey van 2018 - 2019 van het CVO/WMR. Het Deltares-onderzoek schat de jaarlijkse hoeveelheid loodverlies door de sportvisserij op 470 ton in het zoute en 54 ton in het zoete water. De schattingen uit de Logboek Survey bedragen (afgerond) 23 ton in het zoute en 7 ton in het zoete water per jaar. Dit vraagt om nadere uitleg en context over hoe deze cijfers tot stand zijn gekomen.

Cijfers over het geschatte loodverlies
Het vaststellen van het jaarlijkse loodverlies in de sportvisserij is lastig, omdat voor de berekening hiervan een inschatting van de hoeveelheid verloren lood over een heel jaar nodig is. Dit wordt in de beide onderzoeken op verschillende manieren gedaan. In de Logboek Survey wordt het eventuele loodverlies en de verloren hoeveelheid lood per vistrip direct in een logboek genoteerd. Het Deltares-onderzoek betreft een recall survey, waarbij deelnemers werd gevraagd om zich iets te herinneren uit het verleden. Een zogenaamde recall survey resulteert vaak in een (soms flinke) overschatting van de uitkomsten. Dit wordt de recall bias genoemd.
Het totale loodverlies wordt vervolgens berekend aan de hand van het geschatte loodverlies per sportvisser, het gemiddeld aantal visreizen per jaar (vistrips) en het totale aantal Nederlandse sportvissers. 
 
De inschatting van de hoeveelheid lood die wordt verloren, is bij het Deltares-onderzoek aanzienlijk hoger dan in de Logboek Survey. Vooral de gemiddelde jaarlijkse hoeveelheid vislood die een sportvisser verliest in zout water verschilt fors: 1 kg bij het Deltares-onderzoek tegen 43,2 gram bij het CVO/WMR. Van belang daarbij is dat deze 1 kg de afgeronde uitkomst is van een (recall-) enquête van slechts 49 zeesportvissers, terwijl bij de Logboek Survey de gegevens van 235 zeesportvissers zijn gebruikt. In het Deltares rapport wordt ook aangeven dat deze 1 kg is gebaseerd op een te kleine steekproef. Daarbij baseert het Deltares-onderzoek zich op de uitkomsten van een enquête die alleen door de lezers van Hét VISblad zijn ingevuld. Het zijn echter de meer fanatieke sportvissers die dit blad lezen en daardoor is deze groep niet representatief voor de gemiddelde sportvisser. Al met al lijkt dus om drie redenen (recall-bias, heel kleine enquêtegroep, en bovendien ingevuld door niet representatieve groep fanatieke sportvissers), sprake van een zeer substantiële overschatting van het loodverlies per sportvisser in het Deltares-onderzoek. Voor de Logboek Survey geldt dat deze in enige mate een onderschatting van het loodverlies zou kunnen laten zien, omdat vermoedelijk de groep fanatieke sportvissers enigszins is ondervertegenwoordigd in dit onderzoek. 

Voor de berekening van het totaal geschatte loodverlies is ook het aantal vistrips per jaar relevant. Ten aanzien van het gemiddeld aantal vistrips gaat het Deltares-onderzoek uit van 13,7 vistrips per sportvisser per jaar. De resultaten uit het CVO/WMR onderzoek laten zien dat slechts een kleine groep sportvissers deze visfrequentie heeft en dat het gemiddeld aantal vistrips per sportvisser waarschijnlijk meer rond de 5 vistrips per jaar ligt. In het CVO onderzoek wordt, op basis van het geschatte loodverlies per sportvisser, voor de drie (zout) of vier (zoet) verschillende visfrequentie categorieën een gemiddeld loodverlies berekend. Deze wordt vervolgens met het totaal aantal sportvissers per categorie vermenigvuldigd, waarna het loodverlies per visfrequentie categorie wordt opgeteld. In het CVO/WMR rapport wordt nog verder ingegaan op mogelijke verklaringen voor het verschil.

De conclusie is dat het Deltares-onderzoek waarschijnlijk een zeer substantiële overschatting van het loodverlies laat zien, waar mogelijk de Logboek Survey iets van een onderschatting zou kunnen laten zien. De Logboek Survey wordt momenteel herhaald (maart 2020-februari 2021) en de resultaten uit deze Logboek Surveys zullen wel goed met elkaar te vergelijken zijn, aangezien deze dezelfde methodiek en werkwijze kennen.

Cijfers over het gebruik van loodalternatieven
Via de Screening Survey wordt onderzoek gedaan naar het gebruik van alternatieven voor loodgewichten door sportvissers (hengelaars). De resultaten van de Screening Survey van 2017 en de Screening Survey van 2019 laten zien dat het gebruik van loodalternatieven is toegenomen tussen 2017 en 2019. Het percentage hengelaars dat heeft aangegeven ten minste eenmaal in die jaren een loodalternatief te hebben gebruikt is gestegen van 10% naar 17%. Deze cijfers zeggen echter weinig over hoe vaak er met loodalternatieven is gevist. Er wordt in de Screen Survey ook gevraagd naar het aantal vistrips waarbij met een loodalternatief is gevist. Het percentage hengelaars dat aangegeven heeft bij 4 -10 vistrips met een loodalternatief te hebben gevist, is gestegen tussen 2017 en 2019 van 35% naar 38%. Het percentage hengelaars dat bij meer dan 10 vistrips een loodalternatief hebben gebruikt is gestegen van 17% naar 20%.

Het resultaat uit de Screening Survey laat echter een ander beeld zien dan in de Logboek Survey van 2018 - 2019. In de Logboek Survey werd echter door minder hengelaars aangegeven dat er met een loodalternatief is gevist, namelijk door 7,2% van de zoutwatervissers en 4,1% van de zoetwatervissers.
Het cijfer uit de Screening survey suggereert een overschatting. Dit verschil komt waarschijnlijk doordat ook de Screening Survey weer een zogenaamde “recall survey” is. De deelnemers worden in december gevraagd of ze in het betreffende jaar met een loodalternatief hebben gevist. Wanneer wordt gevraagd om zich iets te herinneren wat in het verleden (in dit geval tot 12 maanden geleden) heeft plaatsgevonden, resulteert dit vaak in een (soms flinke) overschatting van de uitkomsten (recall bias). Deelnemers van de Logboek Survey daarentegen noteren direct bij elke vistrip het antwoord op de vraag welk visgewicht is gebruikt. Deze gegevens worden vervolgens na een maand doorgegeven. Hierdoor zijn de resultaten van een Screening Survey dus naar verwachting minder nauwkeurig dan die van de Logboek Survey. De uitkomsten van de Screening en de Logboek Survey en zijn niet één op één met elkaar te vergelijken. Echter, de resultaten uit de Screening Surveys van 2017 en 2019 zijn wel goed met elkaar te vergelijken. Op basis hiervan concludeert CVO/WMR dat het gebruik van loodalternatieven is toegenomen.

LNV onderzoekt de mogelijkheden om in 2021, het evaluatiejaar van de Green Deal, een extra Screening Survey uit te laten voeren. Zo ontstaan er drie meetmomenten waarbij de uitkomsten goed met elkaar te vergelijken zijn. 

Dit artikel wordt geactualiseerd wanneer nieuwe onderzoeksgegevens bekend zijn
 

Om u de beste gebruikservaring te kunnen bieden, gebruiken wij cookies. Voor meer inhoudelijke informatie en het onderscheid die wij hier in maken, verwijzen wij u door naar ons. cookiebeleid.

Divide