Leefomgeving

De leefomgeving van een vis bestaat uit een levende omgeving (voedsel, soortgenoten, concurrenten en roofdieren) en een niet-levende omgeving (stroming, diepte, bodemsoort, helderheid, zuurstofgehalte, zoutgehalte).

Leefvoorwaarden voor vissen
De leefomgeving van een vis moet tenminste aan een aantal voorwaarden voldoen. Naast een voldoende waterkwaliteit om alle lichaamsfuncties goed te laten werken, heeft een vis voor het voortbestaan overwegend en in voldoende mate nodig:
voedsel (voor zijn conditie, zijn groei en de voortplanting) schuilgelegenheid (tegen roofdieren en extreme milieuomstandigheden) gelegenheid tot voortplanting (in de vorm van paaigebied en partners).

Tolerantie en aanpassing
Een water voldoet niet op elk moment aan de voor individuele vissen en vissoorten meest optimale omstandigheden. Maar zoetwatervissen kunnen zich wel aan tijdelijke of permanente veranderingen van het milieu aanpassen. Maar voor alle milieu-omstandigheden bestaan er tolerantiegrenzen. Dit zijn de minimum- en maximumwaarden van de betreffende milieu-factoren, waarbinnen de vis nog in leven blijft. De ene vissoort kan in dat opzicht wat meer hebben, of kan slechte omstandigheden gedurende langere tijd doorstaan dan de andere vissoort. Vissoorten kunnen eventueel ontsnappen aan extreme omstandigheden, bijvoorbeeld door weg te trekken naar veiliger oorden.

 

 

Divide

Om u de beste gebruikservaring te kunnen bieden, gebruiken wij cookies. Voor meer inhoudelijke informatie en het onderscheid die wij hier in maken, verwijzen wij u door naar ons. cookiebeleid.