Bescherming vissoorten

Sommige vissoorten zijn zo zeldzaam dat zij het hele jaar door beschermd moeten worden. Andere vissoorten hebben minder bescherming nodig of hebben alleen in de paaiperiode bescherming nodig. De bescherming van vissoorten wordt op verschillende manieren vormgegeven.

Algemene bescherming

Hieronder worden eerst de algemene beschermingsmaatregelen besproken. Daarna worden alle beschermende maatregelen besproken die betrekking hebben op de paling.

Flora- en faunawet

De Flora- en faunawet bepaalt (in art. 4, lid 1, sub d) dat als beschermde inheemse diersoort worden aangemerkt: alle van nature in Nederland voorkomende soorten vissen, met uitzondering van de soorten waarop de Visserijwet 1963 van toepassing is. De vissoorten waarop de Visserijwet 1963 van toepassing is, zijn opgenomen in bijlage 1 van de Uitvoeringsregeling visserij. Soorten waarop de Visserijwet 1963 niet van toepassing is en die hier van nature voorkomen (inheemse soorten) vallen dus per definitie onder de bescherming van de Flora- en faunawet.

De Flora- en faunawet bepaalt in art. 4, lid 4 dat de Minister van Economische Zaken, Landbouw & Innovatie alle beschermde soorten in de Staatscourant bekend maakt. Voor de soorten als bedoeld in art. 4, eerste lid van de Flora- en faunawet zijn de soorten bekend gemaakt in bijlage 4 van de "Bekendmaking lijsten beschermde inheemse diersoorten" d.d. 7 november 2001 (Staatscourant nr. 220). Let op: sommige diersoorten zijn niet in bijlage 4 genoemd maar zijn toch een beschermde inheemse diersoort. Op de website van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw & Innovatie is ook vermeld dat een incomplete bekendmaking geen gevolgen heeft voor de bescherming van de “vergeten” diersoort.

De volgende vissoorten vallen onder de Flora- en faunawet: aal, beekprik, bittervoorn, elrits, gestippelde alver, grote modderkruiper, houting, kleine modderkruiper, rivierdonderpad en steur.

De status van beschermde inheemse diersoort brengt onder andere de volgende verboden met zich mee:

  • een verbod om deze dieren te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen (art. 9).
  • Ook is het verboden om beschermde dieren opzettelijk te verontrusten (art. 10).
  • Verder is het verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van beschermde dieren te beschadigen of te verstoren (art. 11).
  • Daarnaast is het verboden om beschermde diersoorten in bezit te hebben, te verkopen of ter verkoop aan te bieden, te kopen of te koop vragen, voor de verkoop in bezit hebben, te vervoeren, af te leveren, te ruilen en binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen (art. 13).

Direct in hetzelfde water terugzetten

Beschermde soorten moeten na eventuele vangst dus altijd direct in hetzelfde water worden teruggezet door zowel beroeps- als sportvissers.

De Flora- en faunawet is op het hele Nederlandse grondgebied van toepassing dus ook op water dat ligt boven eigen grond dat al dan niet in verbinding staat met ander water. De werking van de Flora- en faunawet is op zee beperkt tot de zogenoemde "territoriale zee". Dit is de zee vanaf de laagwaterlijn tot 12 zeemijlen uit de kust. De grenzen van de territoriale zee zijn vastgelegd in verdragen met België, Duitsland en Engeland.

Ook de paling (aal) valt onder de bescherming van de Flora- en faunawet. Er geldt op basis van art. 20a van de Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet echter vrijstelling als kan worden aangetoond dat een aal:

  • is gevangen overeenkomstig de Visserijwet 1963 of;
  • legaal is ingevoerd of verkregen.

Voor sportvissers zal bijna nooit sprake zijn van een vrijstelling omdat de voorwaarden van de schriftelijke toestemming (vergunning) bijna altijd verplichten om gevangen paling direct terug te zetten. Ook voor de (Jeugd)VISpas en de Kleine VISpas geldt als voorwaarde dat elke aal altijd direct in hetzelfde water moet worden teruggezet. Het tijdelijk bewaren van aal is in dit geval dus ook niet toegestaan.

Minimummaten

Op grond van artikel 2a van de Visserijwet 1963 in combinatie met artikel 1 van het "Reglement voor de binnenvisserij 1985" kan de Minister minimum maten vaststellen voor bepaalde vissoorten. De vissoorten waarvoor een minimum maat is vastgesteld zijn opgenomen in art. 5b van de "Uitvoeringsregeling visserij". Vangt iemand een vis van één van deze soorten en heeft deze nog niet de minimummaat dan moet die vis altijd direct in hetzelfde water worden teruggezet. Het tijdelijk bewaren van een ondermaatse vis is dus ook niet toegestaan, ook niet tijdens wedstrijden. De Minister van Economische Zaken kan eventueel ontheffing verlenen van de verplichting om ondermaatse vis direct terug te zetten bijvoorbeeld voor onderzoek.

Minimummaten vissoorten:

* voor de baars geldt, met uitzondering van het IJsselmeer, in twee gevallen een uitzondering. In art. 7 van het “Reglement minimummaten en gesloten tijden 1985” is namelijk bepaald dat degene die het recht heeft om met de hengel te vissen:

  1. een onbeperkt aantal ondermaatse baars in bezit mag hebben op voorwaarde dat de baarzen levend worden bewaard in een leefnet of emmer en levend in hetzelfde water worden teruggezet;
  2. maximaal 20 dode ondermaatse baarzen in bezit mag hebben en te vervoeren, voor zover aannemelijk is dat deze als aasvis worden gebruikt. Let op: op grond van voorwaarde 12 in de Gezamenlijke Lijst van Nederlandse Viswateren mogen er van deze 20 baarzen maar 10 groter dan 15 cm. zijn.

N.B. een visrechthebbende kan in de voorwaarden van zijn schriftelijke toestemming een hogere minimummaat of een meeneemlimiet vaststellen of bepalen dat vissen van bepaalde soorten altijd direct moeten worden teruggezet.

N.B. voor vissoorten waarvoor een minimummaat is vastgesteld, geldt een fileerverbod omdat door vis te fileren de maat van de vis niet meer is vast te stellen. Het is daarom verboden om op of in de nabijheid van enig water vis waarvoor een minimum maat geldt, voorhanden te hebben als deze vis in zodanige toestand is gebracht, dat daardoor de vaststelling van de maat wordt bemoeilijkt of onmogelijk gemaakt (art. 5 Reglement minimummaten en gesloten tijden 1985).

Gesloten tijd vissoorten, aassoorten en vistuigen

-> Lees hier meer over de gesloten tijden voor vissoorten, aassoorten en vistuigen in Nederland.

Verbod gebruik levend aas

Het "Besluit houders van dieren" verbiedt het gebruik van alle levende vissen als aas bij de binnen- en kustvisserij. Let op: onder het begrip "vissen" vallen ook bepaalde door de minister aangewezen schaal- en schelpdieren (artikel 1, lid 2 Visserijwet 1963) zoals de Noordzeegarnaal, Steurkrab (Steurgarnaal) en diverse krabben- en kreeftensoorten. Om welke dieren het gaat is te lezen in bijlage 1 van de Uitvoeringsregeling visserij. Het verbod op het gebruik van levend aas geldt ook voor andere gewervelde dieren: zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën. Wormen en maden zijn wel als aas toegestaan omdat deze ongewerveld zijn. In artikel 2 van het Besluit aanwijzing zeegebied en kustwateren 1970 is te lezen wat precies verstaan wordt onder "kustwater".

Het voorhanden hebben van levende vissen valt niet onder dit verbod. Uiteraard moeten bij het in bezit hebben van levende vissen - voor zover van toepassing - de wettelijke minimummaat en de gesloten tijden voor vissoorten in acht worden genomen. Ook moeten de vissen voldoende ruimte en zuurstof hebben omdat anders sprake is van dierenmishandeling (art. 2.1 Wet dieren).

Divide