Bescherming aal (paling)

Omdat de aal met uitsterven wordt bedreigd gelden er voor de aal diverse specifieke beschermende maatregelen en verboden. Hieronder staan alle relevante bepalingen op een rij:

Wet Natuurbescherming (geldt voor iedereen)

De paling is opgenomen in bijlage 2 van het Cites-verdrag. Hierdoor is de export van alle paling en producten van paling, dus ook glasaal, naar landen buiten de Europese Unie verboden. Daarnaast is er op grond van artikel 3.38 van de Wet Natuurbescherming een bepaling opgenomen in het Besluit Natuurbescherming welke bepaalt het het verboden is om bepaalde soorten uit het Cites-verdrag waaronder de paling onder zich te hebben of te verhandelen. In principe mag men in Nederland dus geen paling onder zich hebben of verhandelen. Op deze regel geldt echter op grond van artikel 3:20 van de Regeling Natuurbescherming een uitzondering voor paling indien deze is verkregen overeenkomstig de Visserijwet 1963. 

Sportvissers vallen vrijwel nooit onder de vrijstelling omdat bij bijna alle schriftelijke toestemmingen (vergunningen) de voorwaarde geldt dat paling direct in hetzelfde water moet worden teruggezet. Ook voor de (Jeugd)VISpas en de Kleine VISpas geldt de voorwaarde dat iedere paling direct in hetzelfde water moet worden teruggezet. Het tijdelijk bewaren van paling is in dat geval dus niet toegestaan. Heeft iemand paling in bezit terwijl dit volgens de vergunningsvoorwaarden niet mag, dan is dit in strijd met de Visserijwet 1963. Er geldt dan dus geen vrijstelling voor het Besluit Natuurbescherming.
Het overtreden van de Wet Natuurbescherming en daaronder hangende bepalingen uit het Besluit Natuurbescherming en de Regeling Natuurbescherming is een economisch delict op basis van art. 1a onder 10 van de Wet op de Economische Delicten (WED). Bij opzet is sprake van een misdrijf. Zonder opzet is sprake van een overtreding, zegt art. 2 van de WED. De strafbaarstelling en strafmaat is bepaald in artikel 6, lid 1 onder 1 (misdrijf) en onder 2 (overtreding) van de WED.

Minimummaat (art. 5b Uitvoeringsregeling visserij)

De minister kan op grond van artikel 2a van de Visserijwet 1963 in combinatie met art. 1 van het Reglement minimummaten en gesloten tijden 1985 voor bepaalde vissoorten een minimummaat vaststellen. Voor de paling is in art. 5b van de Uitvoeringsregeling visserij een minimummaat vastgesteld van 28 cm. Paling kleiner dan 28 cm. moet dus altijd door iedereen, ook beroepsvissers, direct worden teruggezet. Gerookte paling moet minimaal 25 cm. zijn (art. 4 Reglement minimummaten en gesloten tijden1985). Omdat paling door sportvissers op grond van de vergunningvoorwaarden bijna altijd direct moet worden teruggezet, is de minimummaat vooral van belang voor beroepsvissers. Handelen in strijd met de Uitvoeringsregeling visserij betekent dat art. 3a Visserijwet 1963 wordt overtreden en dit is op grond van art. 1a onder 10 (ernstige inbreuk) dan wel onder 30 (geen ernstige inbreuk) van de WED een economisch delict.

Administratieplicht (art. 7 en 8 Uitvoeringsregeling visserij)

Voor iedereen die aal aanvoert, daarin handelt, bezit etc. geldt op grond van art. 7 en 8 van de Uitvoeringsregeling visserij een administratieplicht. Degene die aal aanvoert moet de volgende gegevens bijhouden: hoeveelheid, plaats van opslag, datum aanvoer, datum verkoop, herkomst en naam van de afnemer. De Uitvoeringsregeling is volgens art. 1a van deze regeling gebaseerd op art. 3a van de Visserijwet 1963. Handelen in strijd met de Uitvoeringsregeling visserij betekent dus dat art. 3a Visserijwet 1963 wordt overtreden en dit is op grond van art. 1a onder 10 (ernstige inbreuk) dan wel onder 30 (geen ernstige inbreuk) van de WED een economisch delict.

Gesloten tijd aalvistuigen in alle wateren (art. 32a Uitvoeringsregeling visserij)

Om volwassen paling de kans te geven naar zee te trekken om zich voort te planten, geldt er van 1 september tot en met 30 november een wettelijke gesloten tijd voor het gebruik van diverse aalvistuigen (art. 32a, lid 1 van de Uitvoeringsregeling visserij). Het is in deze periode in alle wateren (zee-, kust en binnenwater) verboden om te vissen met beroeps-aalvistuigen en de peur. Kijk hier voor meer informatie over de gesloten tijd voor vistuigen. De Uitvoeringsregeling is volgens art. 1a van deze regeling gebaseerd op art. 3a van de Visserijwet 1963. Handelen in strijd met de Uitvoeringsregeling visserij betekent dus dat art. 3a Visserijwet 1963 wordt overtreden en dit is op grond van art. 1a onder 10 (ernstige inbreuk) dan wel onder 30 (geen ernstige inbreuk) van de WED een economisch delict.

Terugzetplicht september - november (art. 32b Uitvoeringsregeling visserij)

In de maanden september, oktober en november geldt op grond van art. 32a van de Uitvoeringsregeling visserij voor alle wateren (binnenwater, kustwateren en zee) zowel voor beroepsvissers als voor sportvissers een wettelijke terugzetverplichting voor aal. Ook is het voor iedereen verboden om in deze periode aal in bezit te hebben op of nabij het binnenwater, de kustwateren en de zee. Deze maatregelen vloeien voort uit het nationaal aalherstelplan en zijn bedoeld om de volwassen alen die zich willen voortplanten, de kans te geven weg te trekken naar hun paaigebied. In een uitspraak van 17-10-2012 oordeelde de Raad van State dat de minister bevoegd was dit verbod in te stellen. Deze uitspraak is te vinden op www.rechtspraak.nl onder ECLI:NL:RVS:2012:BY0407.

De Uitvoeringsregeling is volgens art. 1a van deze regeling gebaseerd op art. 3a van de Visserijwet 1963. Handelen in strijd met de Uitvoeringsregeling visserij betekent dus dat art. 3a Visserijwet 1963 wordt overtreden en dit is op grond van art. 1a onder 10 (ernstige inbreuk) dan wel onder 30 (geen ernstige inbreuk) van de WED een economisch delict.

VISpas

1. VISpas of andere toestemmingen (vergunningen)

Voor alle wateren die in de Gezamenlijke Lijst van Nederlandse Viswateren staan (ongeveer 90% van al het Nederlandse binnenwater) geldt als algemene voorwaarde dat elke gevangen paling altijd direct in hetzelfde water moet worden teruggezet. Bij het vissen in deze wateren is het dus ook niet toegestaan om paling tijdelijk te bewaren (ook niet tijdens wedstrijden). Het niet in acht nemen van de voorwaarden betekent dat de visser vist zonder toestemming en dit is wettelijk verboden (art. 21 Visserijwet 1963).

2. Kleine VISpas

Ook voor de Kleine VISpas geldt als algemene voorwaarde dat elke paling direct moet worden teruggezet. Het niet in acht nemen van de voorwaarden betekent dat de visser vist zonder toestemming en dit is wettelijk verboden (art. 21 Visserijwet 1963).

N.B. bij het Nederlandse binnenwater is de terugzetplicht voor paling dus primair geregeld door middel van de (privaatrechtelijke) voorwaarden van de schriftelijke toestemming. Daarnaast overtreedt een sportvisser die zich niet aan de terugzetplicht houdt de Wet Natuurbescherming omdat de vrijstelling dan niet van toepassing is en pleegt daarmee dus ook een economisch delict op basis van art. 1a onder 10 van de WED.

Dioxine-problematiek

In verband met dioxines en andere gifstoffen in paling (en wolhandkrab) is het vanaf 1 april 2011 voor iedereen (dus ook voor beroepsvissers) wettelijk verboden om op een aantal binnenwateren op aal en wolhandkrab te vissen met aaldogger, aalfuik, aalhoekwant, aalkistje, aalzegen, ankerkuil, electrovisapparaat, de peur, visfuik en de kreeftenkorf. Ook is het verboden om paling of wolhandkrab in bezit te hebben in de onmiddellijke nabijheid van deze wateren. Het vis- en bezitsverbod staan in art. 28b Uitvoeringsregeling visserij. Deze verboden zijn gebaseerd op art. 5.10 Wet dieren.

Voor sportvissers is van belang dat het dus verboden is om in de betreffende wateren met een peur te vissen én om paling of wolhandkrab in bezit te hebben bij het vissen op deze wateren. Let op: ook het bezit van (dode) paling of wolhandkrab die is gekocht bij de vishandelaar en bedoeld is om als aasvis te gebruiken is verboden. Overtreding van het vis- en bezitsverbod is een economisch delict op grond van art. 1 onder 40van de Wet op de economische delicten. De wateren waar het om gaat zijn opgenomen in bijlage 16 van de Uitvoeringsregeling visserij. Het gaat om:

– de Afgedamde Maas;
– de Amer;
– het Amsterdam-Rijnkanaal vanaf het IJ tot en met de spoorbrug bij Weesp;
– de Beneden-Merwede;
– het Bijlands kanaal;
– de Bergsche Maas;
– de Boven-Merwede;
– de Boven-Rijn stroomafwaarts vanaf de grensovergang bij Spijk;
– de Dordtsche Kil;
– het gebied in het IJsselmeer dat wordt begrensd door de Zuidermeerdijk, de IJsselmeerdijk, de Ketelbrug en de lijn lopend over de punten met de coördinaten:

? 52°37.448?NB en 005°38.650? OL
? 52°36.800?NB en 005°37.466? OL
? 52°36.339?NB en 005°37.783? OL

– het Haringvliet;
– het Hartelkanaal;
– Het Heusdensch Kanaal;
– het Hollandsch Diep;
– de Hollandsche IJssel stroomafwaarts vanaf de Veerlaan te Haastrecht;
– het IJ;
– de IJssel;
– het Julianakanaal;
– het kanaal Gent-Terneuzen;
– het kanaal Wessem-Nederweert;
– het Ketelmeer met uitzondering van het Ramsdiep, met als scheiding met het Vossemeer een lijn haaks op het einde van de zuidelijke dam van het Keteldiep ter hoogte van de provinciale grens, met als oostelijke grens de Ramspolbrug en met als westelijke grens de Ketelbrug (rijksweg A6);
– het Krammer Volkerak voor zover gelegen ten oosten van de Grevelingendam en de Philipsdam en tot aan de ingang van het Schelde- Rijnkanaal;
– het Lateraalkanaal Linne-Buggenum;
– de Lek;
– de Maas stroomafwaarts vanaf de grensovergang bij Eijsden en met uitzondering van de Boschmolenplas;
– het Maas-Waalkanaal;
– de Nederrijn;
– de Nieuwe Maas;
– de Nieuwe Merwede;
– de Noord;
– het Noordzeekanaal inclusief de zijkanalen A tot en met H, met uitzondering van het afgesloten gedeelte van zijkanaal B, gelegen tussen de A9 en het Noordzeekanaal;
– de Oude Maas;
– het Pannerdensch Kanaal;
– de Roer;
– het Spui;
– het Vossemeer;
– de Waal;
– het Wantij.

De verboden gelden volgens het tweede lid van art. 28b voor het gehele gebied binnen de winterdijken van deze wateren en voor alle havens, plassen, killen, gaten, putten, strangen, kreken, kanalen, beken en rivierarmen die in directe open verbinding staan met deze wateren tot aan de eerste waterkering gerekend vanaf die wateren.

Sportvissers in zee en de kustwateren

Dioxine-problematiek

In verband met dioxine en andere gifstoffen in paling (en wolhandkrab) is het vanaf 1 april 2011 voor iedereen (dus ook voor beroepsvissers) wettelijk verboden om in een aantal zoute wateren te vissen met vistuigen die in hoofdzaak gebruikt worden of bestemd zijn om op aal of wolhandkrab te vissen. Ook is het verboden aal of wolhandkrab in bezit te hebben in de onmiddellijke nabijheid van deze wateren. Beide verboden zijn gebaseerd op art. 5.10 Wet dieren in combinatie met art. 23b Uitvoeringsregeling visserij. Het is op grond van deze artikelen verboden om in deze wateren met een peur te vissen. Overtreding van het vis- en bezitsverbod is een economisch delict op grond van art. 1 onder 40 van de Wet op de economische delicten. De wateren waar het om gaat zijn opgenomen in bijlage 15 van de Uitvoeringsregeling visserij. Het gaat om:

- het Beerkanaal met de daaraan gelegen open havens;
- het Calandkanaal met de daaraan gelegen open havens;
- de havens van IJmuiden en de toeleidingskanalen naar het Noordzeekanaal tot de meest zeewaarts gelegen waterkeringen;de Nieuwe Waterweg tot de lijn gaande van het oostelijk havenhoofd van Maassluis naar het groene  scheepvaartgeleidelicht no. 14;
- de Maasmond tot de denkbeeldige lijn getrokken vanaf de buitenzijde van de Zuiderpier tot aan het eindpunt van de Noorderpier;
- het deel van het Zeegat van Goeree dat is gelegen binnen een afstand van 500 meter van de Haringvlietsluizen.

Terugzetverplichting

Op basis van art. 23a van de Uitvoeringsregeling visserij geldt gedurende het hele jaar een wettelijke terugzetplicht voor paling die is gevangen met de hengel of de peur in de zee of in de kustwateren. Ook geldt op basis van dit artikel een verbod op het voorhanden hebben van aal bij het vissen in zee en in de kustwateren met de hengel of de peur. De Uitvoeringsregeling visserij is volgens art. 1a van deze regeling onder andere gebaseerd op art. 3a van de Visserijwet 1963. Handelen in strijd met de Uitvoeringsregeling visserij betekent dus dat art. 3a van de Visserijwet 1963 wordt overtreden en dit is op grond van art. 1a onder 10 van de WED een economisch delict.

Ook overtreedt de sportvisser in dit geval (art. 3.38) de Wet Natuurbescherming en artikel 3:20 van de Regeling Natuurbescherming omdat de vrijstelling op hem niet van toepassing is. Het overtreden van art. 3.38 van de Wet Natuurbescherming is een economisch delict op basis van art. 1a onder 10 van de WED.

Divide