Verschillende percepties van de Nederlandse waterkwaliteit

1671
13 jul 2023

De dagen dat je ‘een fotorolletje kon ontwikkelen in de Rijn’ ligt ver achter ons. Toch bungelt Nederland nog steeds onderaan de Europese lijstjes met waterkwaliteit, volgens de criteria van de Kaderrichtlijn Water. De perceptie in het veld blijkt soms anders; een verkenning van vier visies.

Beroepsvisser Theo Rekelhof, Kudelstaart

’Het water is weer helder genoeg voor veel snoeken’

"De meeste waterlichamen voldoen niet aan de gewenste waterkwaliteit volgens de beoordeling naar de Kaderrichtlijn Water, de KRW." Aldus de opwekkende opening onder het kopje ‘indicatoren van waterkwaliteit’, op de website van het Compendium van de Leefomgeving. Met een kop koffie aan de oever van de Westeinderplassen, waar hij nu al 66 lentes over uitkijkt, kan beroepsvisser
Theo Rekelhof zich niet zo veel voorstellen bij die onheilspellende Europese ranglijst. “Mijn familie vist hier al sinds 1871, toen mijn overgrootvader een visbedrijf begon.
 
Hij en ook mijn opa hadden behoorlijk wat concurrentie, maar tegen de tijd dat mijn vader en oom het bedrijf overnamen deden ze goede zaken. Ze visten op behoorlijk troebel, overbemest water, waar vooral veel snoekbaars in zat. Zij haalden jaarlijks zeven tot soms wel tien ton snoekbaars uit het water.”
 
“Ik heb het bedrijf nu ruim dertig jaar in handen en heb de waterkwaliteit in die jaren enorm zien verbeteren. De belasting met vooral
fosfaat en stikstof was al enorm teruggedrongen, toen ik in 1991 instapte, waardoor het water veel helderder werd. Het gevolg was wel
dat ik de eerste jaren hooguit vijf ton snoekbaars per jaar ving. Op het dieptepunt was dat nog maar 500 kilo; inmiddels krabbelen de
vangsten weer wat op.”

Theo Rekelhof is zeker niet ontevreden over de waterkwaliteit en de visstand in zijn viswater.

“Het water is inmiddels zo helder dat er veel meer snoeken in voorkomen dan in de tijd van mijn voorgangers. Waar de snoekenstand ooit nog op peil moest worden gehouden met broedkwekerij en uitzet van jonge vis, is dat nu echt niet meer nodig. De snoek is een echte zichtjager die prima aan zijn trekken komt in het heldere water van nu, met ook voldoende waterplanten om tussen te schuilen. Dat de biologische kwaliteit zo slecht zou zijn, dat kan ik vanuit mijn ervaring op het water in ieder geval niet beamen.

De belasting met bestrijdingsmiddelen en andere synthetische middelen kan ik moeilijker beoordelen. Ik weet wel dat de vele seringenkwekers op de eilandjes, op het zogeheten bovenland van de Westeinder, de slootjes rond hun percelen soms letterlijk dood maakten met hun bestrijdingsmiddelen, maar dat is allang niet meer zo. Nu schijnt er wel PFAS in het water te zitten, al zit er geen zware industrie rond de plas. Maar wat er de Westeinder inkomt, gaat er niet zo snel meer uit. Door de ligging naast de ringvaart van de Haarlemmermeer, met eigenlijk maar één in- en uitgang, duurt het gauw een jaar voor het water op de plas wordt ververst.”

“Al met al ben ik helemaal niet ontevreden over de waterkwaliteit en de visstand in de plas. Ik denk dat het systeem behoorlijk in
evenwicht is, met helder water, weinig blauwalg, veel waterplanten en gezonde vis. Ik heb het gevoel dat de belasting met voedingsstoffen niet veel verder naar beneden moet gaan. Dan ga je op een gegeven moment magere vis vangen. De consequentie van dat gezonde system is dus wel dat ik veel minder vis vang dan mijn voorgangers maar daar kijk ik heel nuchter naar. Het gaat niet om mij.  Ik zie mezelf een beetje als beheerder van de visstand. Ik verdien een boterham en dat is genoeg.”

Peter Voorn, aquatisch ecoloog bij Natuurmonumenten in Noord-Brabant

’Optimisme over waterkwaliteitberust op gezichtsbedrog’

“Kijkend naar de waterkwaliteit in Nederland kan je je afvragen of het glas halfvol of halfleeg is. Zeker, er is sinds de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw enorm veel gebeurd. Gelukkig is het allang niet meer zo dat je de dikke schuimvlokken als gevolg van de grote hoeveelheden fosfaten uit bijvoorbeeld wasmiddelen op het water ziet drijven en dat er alleen nog maar rode muggenlarven in de waterbodems zitten. Maar om daarmee nou te zeggen dat het goed gaat?”

Volgens Peter Voorn is 'waterkwaliteit' een containerbegrip.

“Je moet je sowieso realiseren dat ‘waterkwaliteit’ een containerbegripis waar heel veel zaken onder vallen; van de hoeveelheid water via de chemische belasting tot de ecologische rijkdom. Het goede nieuws is zonder meer dat het rioolwater vandaag de dag veel beter wordt gezuiverd en die fosfaatbelasting dus ver is teruggedrongen. Maar als ik dat tegen mijn collega’s rond Botshol of het Naardermeer zeg, dan hoor ik dat de krabbescheer van vroeger daar nog steeds niet terug is door te troebel, te voedselrijk water. De natuur stelt nou
eenmaal hoge eisen.”

“Nog zorgwekkender vind ik de problemen met de hoeveelheid water. Nu al zijn de zomers zó droog, dat beken als de Beerze of de Buulder Aa op enig moment alleen nog maar het water van de rioolwaterzuivering afvoeren. De rest van het jaar is de waterkwaliteit in stromend water in ons land nog relatief goed, maar de droogte op met name de zandgronden is echt een groeiend probleem. Naast die zichtbare problemen met de waterkwaliteit, zoals troebel, overbemest water of te weinig water, spelen er ook nog veel problemen ‘onder de motorkap’. Microplastics of belasting met PFAS, daar zie je niets van maar de effecten zijn er natuurlijk wel.”
 
“Dat we als Nederland onderaan de Europese lijstjes bungelen met onze waterkwaliteit is misschien niet eens verbazend, met de hoeveelheid mensen en functies die we op een relatief klein oppervlak samenbrengen. Voor een deel vergelijken we in Europa ook wel appels met peren. Maar dat we hier meer moeten doen staat voor mij buiten kijf. Zo denk ik dat er op veel meer plekken een extra zuiveringsstap, een zogenoemde ‘vierde trap’ aan de waterzuivering moet worden toegevoegd, om bijvoorbeeld medicijnresten uit het water te halen. 
De vissen van troebel water, zoals brasems, zijn misschien wel naar normalere aantallen teruggebracht maar een soort als de paling doet het nog erg slecht. Dat is bij uitstek een soort die last heeft van de stapeling van gifstoffen of de hormoon-verstorende werking van
medicijnresten. Nog beter zou het natuurlijk zijn als die vervuiling bij de bron werd aangepakt. Er ligt 24 miljard klaar voor de landbouwtransitie. Voorkomen van bestrijdingsmiddelen in het water zou daar ook een plek in kunnen krijgen.”


Vanuit de bollenteelt komen er veel bestrijdingsmiddelen in het oppervlaktewater terecht.

“De stelling dat het inmiddels al zo goed gaat en dat we niet ‘het braafste jongetje van de klas’ moeten zijn, vind ik echt misplaatst. We zijn nu eenmaal een dichtbevolkt land waar de normen lastiger te halen zijn dan zeg in Zweden, waar veel meetpunten voor de waterkwaliteit in ongerepte natuur zullen liggen. We moeten hier verder blijven kijken dan alleen maar de organische belasting van het
oppervlaktewater. En zelfs die moet op veel plekken nog verder worden teruggebracht. Optimisme dat alleen maar is gebaseerd op fosfaatbelasting geeft gezichtsbedrog.”
 

Roland van Aalderen, bioloog bij Sportvisserij Nederland:

’Ga rationeel om met de problemen rond waterkwaliteit’

“Ik loop nu ruim twintig jaar als professional aan de spreekwoordelijke waterkant en dan is het verschil met het beeld uit mijn jeugd evident. Vroeger was de overbemesting van het water duidelijk zichtbaar in de vorm van bijvoorbeeld algenbloei; tegenwoordig is zelfs de Nederrijn in de zomer bij weinig afvoer kraakhelder. Ook in veel plassen kun je tot op de bodem kijken. Mijn glas is dan ook zonder meer halfvol.” 

“Dat optimisme vertaalt zich ook in de soortensamenstelling in het water. Als je mij twintig jaar terug had gezegd dat je nu volop winde en zelfs houting zou kunnen vangen, dan had ik je voor gek verklaard. De individuele vissen worden ook een stuk groter. Dat laat zien dat de voedselsituatie meer in evenwicht is. Zelfs een soort als de brasem, die in het verleden vaak onterecht als oorzaak van veel waterkwaliteitsproblemen werd gezien, groeit uit tot grote gezonde exemplaren van soms wel 70 cm lang.”

Roland van Aalderen maakt zich vooral zorgen over de aanwezigheid en toename van bestrijdingsmiddelen in het oppervlaktewater.

“Dat allemaal gezegd hebbende moet je je ogen natuurlijk niet sluiten voor de problemen die er nog wél zijn. De aanwezigheid van
allerlei verontreinigende stoffen in het water is één van die problemen. Met name de effecten van cocktails van bestrijdingsmiddelen en andere synthetische stoffen zijn een grote onbekende. Als bioloog maak ik mij zorgen over de effecten van bestrijdingsmiddelen die uitspoelen naar het oppervlaktewater, bijvoorbeeld op het moment dat er net vissenlarven rondzwemmen. Het ligt voor de hand dat er door effecten van die stoffen op de macrofauna ook indirecte effecten op vissenlarven zullen zijn. Dat zou je terug moeten kunnen zien in de opbouw van verschillende jaarklassen. Alleen, dat onderzoek naar dichtheden van macrofauna gebeurt nu te weinig of niet. Met de Europese richtlijn in de hand kijken we naar de soortensamenstelling van vissen en naar relatieve aantallen, maar niet naar de absolute aantallen of naar hoe  een populatie is opgebouwd.
Aandacht voor die zogeheten abundantie en de populatieopbouw is indirect ook aandacht voor de schadelijke effecten van toxische
stoffen.”

Op de zandgronden vormt droogte een ernstig probleem.

“Naast die zorgen over synthetische stoffen in het water, hebben wij als Sportvisserij Nederland ook zorgen over de inrichting en het beheer van onze wateren. We zijn historisch ‘kampioen waterafvoer’. We weten niet hoe snel we het water in de winter naar zee moeten krijgen via onze kunstmatig ingerichte watergangen. Die watergangen worden daarom jaarlijks grondig geschoond, met gebrek aan structuur tot gevolg. Verder mist er een natuurlijke peildynamiek; in de winter en voorjaar staat het water kunstmatig laag.
Hierdoor zijn er te beperkte mogelijkheden voor paai- en opgroei van vis en doordat het water zo rigoureus wordt weggepompt is er zomers een tekort aan water. Die kunstmatige inrichting van ons land geeft gelukkig ook mogelijkheden om te sturen. Als we ’s winters veel meer water proberen vast te houden en daarbij ook meer structuur in het water brengen, dan bieden we tegelijk ook een natuurlijke schuilplek voor overwinterende vis en paaiplaatsen in het voorjaar.
Het moet toch mogelijk zijn om meer structuur te bieden in het water, met bijvoorbeeld ‘vissenbossen’, zonder dat waterschappen
zich meteen zorgen hoeven te maken over de bevaarbaarheid en de noodzakelijke afvoer van wateroverschotten?”

Snoek profiteert van het toegenomen doorzicht in veel oppervlaktewateren.

“Bij de waterbeheerders moet de knop wat dat betreft nog verder om. Als je ieder jaar je oevers helemaal schoont, dan ben je ook je dekking en veel jonge vis en andere dieren kwijt. Ieder jaar een kwart van de oevers ongemoeid laten zou al een goede stap zijn. Ik zie soms een irrationele kijk op de waterkwaliteit.
Voor een deel komt dat door de systematiek die een gebied bij één onvoldoende op een lijstje met scores voor waterkwaliteit al laat
zakken. Eén ongewilde stof in het water en je bent de Sjaak. Kijk óók naar wat goed gaat. En ga rationeel om met maatregelen, door
problemen zoveel mogelijk bij de bron aan te pakken. Soms wordt nog symptoombestrijding toegepast, door bijvoorbeeld defosfatering van oppervlaktewater toe te passen op plaatsen waar door de oxidatie van veen veel fosfaat blijft vrijkomen of wanneer brasem wordt verwijderd om een visdoelstelling te bereiken.
Maatregelen die bijdragen aan herstel van het hele ecosysteem zouden altijd de voorkeur moeten hebben.”
 

Maarten Ouboter, hydroloog bij Waterschap Amstel, Gooi en Vecht:

‘Slecht werd beter, maar goed werd minder’

“Op heel veel plekken is de waterkwaliteit de laatste decennia verbeterd. De Wet Verontreiniging Oppervlaktewater heeft in 1970 een
goede beweging in gang gezet. Vooral de aansluiting op het riool en vervolgens de zuivering van het rioolwater heeft heel veel betekend
voor de waterkwaliteit, die op sommige plekken bedroevend slecht was. Maar bedenk ook dat het op plekken waar het destijds al wel
goed ging, het nu in veel gevallen slechter gaat. Er staat meer druk op het oppervlaktewater, omdat veel partijen er intensiever gebruik van maken. Zo is er in plaats van piekbelasting van specifieke stoffen, nu een grijze waas van heel veel verschillende stoffen voor teruggekomen.
Het persistente gif DDT is uitgebannen, maar daarmee nog niet verdwenen. Die stof komt tot de dag van vandaag nog in het milieu voor. En in plaats van DDT hebben we nu heel veel andere bestrijdingsmiddelen, die als cocktail onbekende effecten hebben op het water. Nederland is nu eenmaal de tweede exporteur van landbouwproducten ter wereld en dat brengt met zich mee dat ons land én ons
water bovengemiddeld zwaar wordt belast. Dat zien we terug in de waterkwaliteit, die logischerwijs echt veel slechter is dan in andere
Europese landen.”

Volgens Maarten Ouboter staat er meer druk op het oppervlaktewater omdat veel partijen er intensiever gebruik van maken.

“De landbouw heeft veel belangrijke stappen gezet, bijvoorbeeld in het terugdringen van meststof-belasting van het water. Maar dan helpt het niet dat de watergangen in veel van die landbouwgebieden de laatste decennia steeds zwaarder worden geteisterd door een nieuw probleem: de invasie van exotische rivierkreeften. De beestjes zorgen voor het afkalven van oevers, het verdwijnen van waterplanten en het vrijkomen  van voedingsstoffen in het water. 
Daar zullen we echt iets mee moeten. Wegvangen lijkt onbegonnen werk. Het ecosysteem moet robuuster worden; het ‘kreeftbestendiger’ maken van oevers helpt. Dat vraagt ook wat van de waterschappen. Een slootoever waar veel meer waterplanten op de grens van land en water blijven staan is minder kwetsbaar voor de graverij van rivierkreeften. We moeten dus niet langer van de eigenaren van watergangen verlangen dat ze bij de jaarlijkse schouw ‘keurige’ zwarte oevers laten zien. Een oever met enkele decimeters planten in het water – misschien een ‘slordige’ oever in de ogen van de traditionele schouwers – kan helpen de rivierkreeften
minder grond in de scharen te geven.”
“Ook van de sportvisserij mogen we wat dat betreft iets verlangen. In verschillende polders in ons werkgebied zien we door natuurlijke
voortplanting, een extreme dichtheid van karpers, tot meer dan duizend kilo per hectare. Dat zijn misschien aantrekkelijke vissen voor de sportvisserij maar het zijn ook vissen die door wroeten de druk op waterplanten in waterbodems en oevers nog eens versterken, wat
ander leven belemmert. Ik zou de sportvisserij dan ook willen oproepen om mee te denken over een beter beheer van de karperstand.”

Ogenschijnlijk lijkt dit water van het Naardermeer gezond maar de waterkwaliteit is nog niet voldoende voor een kritische plant als krabbescheer.

“Waterkwaliteit is ook afhankelijk van ons eigen gedrag. Toen het aantal vaarbewegingen in de Amsterdamse Keizersgracht door
corona bijna tot nul daalde, zag je daar vrijwel direct waterplanten terugkeren. Die zijn nu zo goed als allemaal alweer verdwenen. Natuur is nu een sluitpost in veel van onze watersystemen. We kijken nog te vaak naar de hoeveelheid ruimte die overblijft nadat huizen, steigers en jachthavens zijn ingetekend. De waterkwaliteit, en daarmee onze leefomgeving, blijft dan onder druk staan. Eind 2027 worden we via de Kaderrichtlijn Water afgerekend op de waterkwaliteit. Die is nu echt meetbaar te slecht!”

Bron: VISionair no. 68

Om u de beste gebruikservaring te kunnen bieden, gebruiken wij cookies. Voor meer inhoudelijke informatie en het onderscheid die wij hier in maken, verwijzen wij u door naar ons. cookiebeleid.